Grenzeloos
- “Ja,” zeg ik, “dat is ok. Ja hoor kan wel. Geen probleem, regelen we. Laat maar weten hoe en wanneer. Komt voor de bakker.” Amper terug van een ontspannen vakantie zijn tig afspraken alweer gemaakt en zet ik mezelf akelig klem tussen werkelijkheid en fictie. Ik besluit ter plekke dat dit nu echt de allerlaatste dag is dat ik mijn agenda laat bepalen door anderen.
Grenzeloos
29 juli 2010
“Ja,” zeg ik, “dat is ok. Ja hoor kan wel. Geen probleem, regelen we. Laat maar weten hoe en wanneer. Komt voor de bakker.” Amper terug van een ontspannen vakantie zijn tig afspraken alweer gemaakt en zet ik mezelf akelig klem tussen werkelijkheid en fictie. Ik besluit ter plekke dat dit nu echt de allerlaatste dag is dat ik mijn agenda laat bepalen door anderen.

Foto 1 van 1
‘Nee’ zeggen, dat ga ik doen! Terwijl een aantal kleine logees door de woonkamer rennen (“ja ok, blijf maar logeren”) besef ik dat je alleen zelf je eigen grenzen kunt aangeven. Één grens is dat ik mijn werkweek in beton zal moeten gaan gieten. Muurvast verankeren, door niets en niemand meer te verschuiven. “Huur een kantoor,” zegt manlief, “buitenshuis. Daar waar je ongestoord kunt werken.”
Geen gek idee, denk ik terwijl de decibellen van de rennende en gillende logees om mijn oren knallen en ik krampachtig probeer door te werken. Een andere grens is delegeren. Dus niet als een soort voorovergebogen fanatieke keep de rotzooi opruimen van de gezinsleden, maar taken uitdelen, controleren of ze worden uitgevoerd en de helpers complimenteren. Welbekend is natuurlijk dat ik het zelf tien keer sneller doe, zonder bokkige pubers en eigenwijze jongelingen, die lankmoedig onderuit gezakt op de bank wachten tot mijn grens is bereikt, maar ja.
Ik ken enkele vrouwen en massa’s mannen die steengoed zijn in de afbakening van het ‘ja’ en het ‘nee’. Zo goed, dat ik ze jaloers gadesla vanaf die wiebelende zijlijn waar mijn ‘ja’ en ‘nee’ radeloos heen en weer zwenken tot het ‘nee’ weer eens in de diepte verdwijnt en ik laf ‘ja’ zeg. Zoals het rotsblok dat afgelopen week in Albufeira (Portugal) met een donderend geraas het strand op stortte.
Koud waren we er weggereden toen we het nieuws hoorde op de radio. De autoriteiten hadden met een rood-wit lint een stuk strand afgezet. Een bordje PREGO VALLEND GESTEENTE moest de bezoekers ervan weerhouden te gaan zitten onder de schaduw van de rots. ‘Vijf mensen omgekomen’, lees ik de volgende dag in de krant. Grens overschreden dus. Wel met de dood moeten bekopen. Zuur. Opeens bonst mijn hart in mijn keel. Onze Portugese vrienden, ik moet ze bellen. Ze zouden toch niet,... De telefoon gaat 2x over. “Hello Kaatiaa, Bom Dia, sim, sim, estou bem, we are ok,...ok,….and you?” De opluchting maakt plaats voor een ter plekke gestolde heimwee die me nagelvast wegzet en zeker een uur laat staren richting het frisse groen van onze Nederlandse tuin.
Heimwee naar de geur van citrus, bloesems en blauwe Jacarandabloemen die na maanden onder teenslippers vermalen te zijn nog steeds een intense lucht verspreiden. Naar de warme wind die geruisloos langs gebleekte haren strijkt, die bittere, sterke espresso met een glas water ernaast, naar sardientjes rechtstreeks uit de zee die als Russische baby’s gebroederlijk naast elkaar onder een dikke laag zeezout liggen, naar het schommelend genoegen in de hangmat onder de Johannesbroodboom.
Heerlijk land waar grenzen eenvoudig worden aangegeven door zonuren en alleen idioten tussen 12 en 15 op het strand hun bleke vellen laten verbranden. Waar kinderen om 23 uur nog lachend achter elkaar aanrennen, nadat ze per persoon een halve kilo reuzenscampi's hebben gegeten. Waar stofzuigers teveel lawaai maken en worden vervangen door zachte vegers die slechts wat vuil en zand verschuiven. Dus? Dus borrelt nu - in het werkdriftige Nederland - een krachtige stem op die vaker ‘NEE’ zal gaan zeggen. Obrigada!
Katja Gebbink
(NB: Katja is op vakantie. Deze column komt uit haar archief.)